Spring naar inhoud

'Zijn alle vrijzinnigen atheïstisch?’

Vraag van de week

© rr
geschreven op 11 augustus 2016

‘Zijn alle atheïsten vrijzinnig of zijn alle vrijzinnigen atheïstisch?’ En wat heeft Copernicus daar mee te maken? We stelden de Vraag van de Week aan Jurgen Slembrouck, vrijzinnig-humanistisch consulent aan de Universiteit Antwerpen.

Sommige vrijzinnig-humanisten zullen zich als atheïst omschrijven en anderen zullen zich eerder omschrijven als agnost. Waarschijnlijk zijn er ook een aantal die over het bestaan van God geen opinie hebben, omdat ze het bijvoorbeeld geen interessante vraag vinden of omdat ze vanuit hun opvoeding nooit geconfronteerd zijn geweest met godsbeelden. Met andere woorden, onder vrijzinnig humanisten zal je een variatie aan verschillende standpunten aantreffen. Toch vermoed ik dat de meeste onder hen zichzelf wel degelijk als atheïst zullen bestempelen. Dat heeft te maken met de centrale uitgangspunten van het vrijzinnig-humanisme, namelijk de scheiding tussen kerk en staat, zelfbeschikkingsrecht en vrij onderzoek.

Als je één van die centrale uitgangspunten, het vrij onderzoek, toepast op de godsvraag – ‘bestaat er een alwetend, algoed, almachtig wezen dat transcendent is?’ – dan heb je vandaag, in deze tijd van wetenschap, betere argumenten om te zeggen dat God niet bestaat.

Atheïsme behoort dus in zekere zin niet tot de essentie van het vrijzinnig humanisme, veeleer is het het resultaat van de toepassing van vrij onderzoek. Het omgekeerde is natuurlijk ook juist, namelijk dat niet alle atheïsten ook vrijzinnig-humanisten zijn. Het kan zijn dat je tot de overtuiging komt dat God niet bestaat, maar dat je daarom geen rekening houdt met het zelfbeschikkingsrecht of dat je een minder grote voorstander bent van de scheiding tussen kerk en staat of van democratisch burgerschap, tolerantie, enzovoort. Het ene sluit het andere niet uit.

Vroeger was het moeilijker om atheïst te zijn omdat de Kerk zonder tegenspraak kon beweren de waarheid te verkondigen. Wetenschap heeft daar een grote ommekeer in teweeg gebracht. Een heel belangrijk moment in de geschiedenis is bijvoorbeeld het heliocentrisme. Vroeger dacht men dat de aarde centraal stond en dat de zon rond de aarde draait. Sinds Copernicus weten we dat het net omgekeerd is. Dat is een kantelmoment waarbij de mens niet langer het centrum van het heelal is. Zo zijn er tal van terreinen waar de gelovige vroeger uitspraken over deed, maar die intussen ontgonnen zijn door de wetenschap en waar men God niet heeft ontdekt. Het ontstaan van het leven en de aarde, de evolutietheorie. Er zijn wetenschappelijke verklaringen voor de werkelijkheid die een veel betrouwbaarder beeld geven dan de waarheidsaanspraken die door het geloof werden geformuleerd. Zo zijn er talloze voorbeelden, die er voor gezorgd hebben dat de moderne gelovige veel meer redenen heeft om aan het geloof in het bestaan van God te twijfelen. En dat is een verklaring waarom het godsgeloof vandaag in westerse samenlevingen minder sterk staat.

Vroeger dacht men dat de aarde centraal stond en dat de zon rond de aarde draait. Sinds Copernicus weten we dat het net omgekeerd is.

Agnosten beweren dat je geen redelijk onderscheid kan maken tussen het bestaan en het niet-bestaan van God omdat het onmogelijk is om met absolute zekerheid aan te tonen dat God niet bestaat. Ze wijzen op het feit dat wetenschap mensenwerk is en mensen feilbaar zijn. Het is dus onmogelijk om met 100% stelligheid te beweren dat God (niet) bestaat. Vanuit die optiek is het volgens agnosten dus redelijker om het oordeel op te schorten en geen standpunt in te nemen. Maar zo werkt wetenschap niet. Het gaat over gradaties van waarschijnlijkheid. Met alles wat we vandaag weten is het redelijker om niet in God te geloven. Als je het beeld van een weegschaal zou gebruiken, dan wegen de argumenten die pleiten voor het bestaan van God minder zwaar door dan de argumenten die pleiten tegen het bestaan van God.

De verbeterde levensstandaard van mensen is ook een reden waarom het godsgeloof is afgenomen. De toegenomen welvaart maakt dat een aantal existentiële angsten en vragen voor een stuk beantwoord zijn. Wat niet wegneemt dat mensen zich vandaag nog altijd vragen kunnen stellen over bijvoorbeeld de zin van het kwaad in de wereld of wat het leven de moeite maakt. Voor een aantal mensen bieden godsdiensten daar nog altijd een antwoord op.

Wat de moraal van godsdiensten vaak moeilijk maakt, is dat er wordt uitgegaan van een natuurlijke orde: de idee dat in de natuur een morele ordening zit ingebouwd. Omdat God de natuur heeft geschapen, zit er in die schepping een bepaalde hiërarchie, een bepaalde ordening, die je moet respecteren. Als je die niet respecteert, ben je blasfemisch. Dan verstoor je de goddelijke ordening en beledig je dus God.

Maar als God als schepper van de wereld en openbaarder van morele normen wegvalt, dan ontstaat er een marge om op een andere manier na te denken over goed en kwaad. Als God niet bestaat en hij niet het leven heeft gegeven aan de mens, dan heb je bijvoorbeeld een argument om te zeggen dat er sommige omstandigheden zijn waarbij het rechtvaardig en moreel verantwoord is dat mensen beslissen om een einde te maken aan hun leven. Je kan bijvoorbeeld euthanasie of abortus toelaten omdat je andere redenen kan aanhalen dan de heiligheid van het leven. Of als God niet de schepper is van de menselijke seksualiteit, waarbij Hij mannen en vrouwen voor elkaar voorbestemd heeft met de bedoeling om voor nageslacht te zorgen, dan is holebiseksualiteit ook minder problematisch.

Er zijn dus een aantal belangrijke implicaties verbonden aan het al of niet bestaan van God. Enerzijds heeft zijn niet-bestaan belangrijke gevolgen voor ons begrip van de werkelijkheid, anderzijds zijn ook de morele implicaties enorm. Bij afwezigheid van God zijn de mogelijkheden om vanuit menselijke perspectief invulling te geven aan de zin van het leven veel groter.

VRTNU VRTNU VRTNU